• Ander toetsingskader voor faillietverklaring van een ziekenhuis?

Ander toetsingskader voor faillietverklaring van een ziekenhuis?

Het is algemeen bekend dat wanneer een B.V. zijn schulden niet meer kan betalen (juridisch: ''in de toestand verkeert te zijn opgehouden met betalen'') de rechtbank, op verzoek van een schuldeiser of op eigen aangifte, het faillissementvan de B.V. uitspreekt. Op grond van artikel 10 van de Faillissementswet heeft iedere schuldeiser en elke belanghebbende gedurende acht dagen na de uitspraak het recht van verzet tegen een faillietverklaring. Toen het Slotervaartziekenhuis, na de eerder verleende surséance van betaling, op 25 oktober jl. in staat van faillissement werd verklaard, kwamen maar liefst tweeënveertig artsen in verzet tegen deze faillietverklaring. Ze legden aan de rechtbank onder meer de volgende stelling voor: “bij de beantwoording of er sprake is van een toestand van hebben opgehouden te betalen dienen naast de belangen van de gezamenlijke schuldeisers óók de belangen die gepaard gaan met het faillissement van een ziekenhuis te worden meegewogen.”

De rechtbank Amsterdam, die zich over deze vraag moest buigen, maakte korte metten met dit verzet en oordeelde dat het feit, dat een faillissement van een ziekenhuis ernstige gevolgen heeft voor de betrokkenen en tot maatschappelijke grote onrust leidt, niet afdoet aan de slechte financiële positie van het ziekenhuis. De rechtbank mag enkel aan de Faillissementswet toetsen en die wet biedt geen ruimte om verder te toetsen dan de norm van de financiële status van de vennootschap. 

In juridische zin valt deze uitkomst te billijken, maar is het in maatschappelijk zin een gewenste uitkomst? Waarom mogen andere belangen dan het opgehouden zijn met betalen niet meewegen voor de uitkomst van wél of niet failliet? 

De Hoge Raad oordeelde al vaker dat een curator in het kader van zijn taakuitoefening, besluitvorming en belangenafweging ook rekening mag houden met belangen van maatschappelijke aard, waaronder bijvoorbeeld de continuïteit van de onderneming en de werkgelegenheid van de werknemers die in dat bedrijf werkzaam zijn. Een verschil is dat die oordelen van de Hoge Raad zien op situaties waarbij het gaat om de reikwijdte van het handelen van een curator tijdens het faillissement. Daarbij werd dus niet geoordeeld over de vraag of bij het uitspreken van het faillissement andere belangen dan de financiële een rol mogen meespelen.

Maar als naar aanleiding van het verzet van de artsen het faillissement van het Slotervaartziekenhuis door de rechtbank was vernietigd, dan was het zeer de vraag of de maatschappelijke onrust minder groot zou zijn geweest. Immers, de zorgverzekeraars hadden hun betalingen reeds opgeschort en het Slotervaartziekenhuis had geen bronnen van inkomsten meer. De schulden - die al groot waren – zouden dan enkel oplopen. Bovendien waren leveranciers al gestopt met het leveren van producten. Waarschijnlijk was de chaos dan groter geweest en naar verwachting had in die situatie een hoger gezag (wellicht de Zorgautoriteit of het Ministerie van Volksgezondheid) moeten ingrijpen om tenminste de zorgcontinuïteit voor patiënten te kunnen waarborgen. 

Door de marktwerking in de zorg komen faillissementen van zorginstellingen tegenwoordig vaker voor. Veelal leidt dit tot maatschappelijke onrust. De faillissementen van het Slotervaartziekenhuis en de IJsselmeerziekenhuizen leidden zelfs tot demonstraties en het indienen van petities. In de praktijk blijkt dat de specifieke regelingen van het gezondheidsrecht en het insolventierecht niet op elkaar zijn afgestemd. Het Ministerie van VWS heeft weliswaar in mei 2017 een ''Handreiking faillissementen in de zorg voor curatoren'' opgesteld, maar die handreiking blijkt in de praktijk veel te algemeen van inhoud. Specifieke problemen rondom zorgcontinuïteit, patiëntveiligheid als ook de elementaire vraag van het beheren en bewaren van patiëntendossiers, zijn daarin niet afdoende zijn geregeld. De Faillissementswet zou wat mij betreft moeten worden uitgebreid met een titel ''Faillissementen van zorginstellingen''.

Vanuit Europese regelgeving werd in 2005 de Faillissementswet al uitgebreid met een deel over het faillissement van banken en 2015 werd die titel ook van toepassing op beleggingsondernemingen. Ook voor verzekeringsondernemingen bestaat reeds sinds 2004 in de Faillissementswet een eigen regime. De Tweede Kamer zou lering moeten trekken uit de ervaringen met de faillissementen van zorginstellingen uit het recente verleden en een wetsvoorstel moeten schrijven voor deze nieuwkomers in insolventieland. Dat brengt rust in tijden van onrust.